Geen zittend gat

op wandel in de bergen
loopt mijn ziel steevast voorop
springt over grote keien
waarmee de smalle paadjes
ginds bezaaid zijn
huppelt langs klingelende koeien
met slome ogen

ze beeldhouwt rotsen met een scherpe zon
kleurt een waterval in regenbogen
voor ’t lijf dat achterkomt
als eerste snelt ze de helling op
voelt de witte koelte

wanneer er op de gletsjertop
hijgend naast haar wordt neergeploft
de batterij platter dan plat
staat zíj alweer op sprintersbenen
ze heeft dedzju geen zittend gat

 

(Lang geleden geschreven, toen er in de zomer nog meer ijs lag op de bergen.)

Van de regen in de soep

regen, regen, regen, het is zo triest
zie die blozende tomaten huilen in de groententuin
de boontjes schurken tegen elkaar aan
zoeken troost onder het doorbuigend blad
de sla staat met haar voeten in het nat
kon ze maar haar krullend kapsel schudden
dan vlogen druppels in het rond

ik sop door de paadjes van watersnood
red een courgette van de verdrinkingsdood
help een selder uit zijn lijden
met de belofte aan een warme pan en verse kruiden
“en…?”
nou vooruit, een flinke portie room!

Gedicht geschreven n.a.v. “Poëzie in het Park” (Amsterdam Wereldboekenstad zomer 2008 – het Bijlmerpark) en tot mijn verrassing gepubliceerd in de jaarbundel 2008 van de OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam). Toen Jos van Hest (die samen met Riet Lamers de bundel samenstelde) bij de voorstelling van de bundel vroeg of ik het gedicht ook ging zingen, spoorde dat mij aan om tijdens de lange autorit naar huis een gezongen versie te bedenken. Deze is een “vertaling” naar het Vlaams dialect van mijn jeugd. Hieronder staat een poging tot fonetische notering van dit dialect.