De koeliebrom

De koelibrom

Tekening van Jaap van den Born

Wie zag er reeds een koeliebrom?
Veel groter dan een schuifeltuit!
Hij speelt geen tuba of geen trom,
een koeliebrom… die brommert snuit.

Maar als er één verkouden is
en sukkelt met een snuit vol kwok,
dan gaat al dat gebrommer mis:
het klinkt zo vals… als een patrok.

De andere koeliebrommers zien
dan hoe hun snipverkouden broer
zijn snuit omsloft en telt tot tien.
Hij maakt zijn borst breed,… snuft heel stoer

en haalt zijn sterke schouders op:
“Ik hou vandaag – snuf – een brommersto-o-op.”


De zwerkbaril

tekening van Jaap van den Born

De vreselijke zwerkbaril
is echt van niémand bang.
Nee, zelfs niet van de sidderil,
die jaagt hem pas op stang!

Hoe sterk de vijand, groot zijn kop,
hoe fel zijn schrikkels branden,
de zwerkbaril blijft fier rechtop
en schrobt zijn valse tanden.

Maar hoort hij plots een schrille roep
die kringelt uit de struiken
tezamen met de geur van poep?
Dan zwerkt hij wat hij zwerken kan…

hij vreest het groenpoepkuiken.


Het groenpoepkuiken

Het groenpoepkuikenIk ben het groenpoepkuiken.
Ik grobbel in het gras,
ik strubbel door de struiken
en plodder op de plas.

Ik ben het groenpoepkuiken,
herkenbaar aan mijn roep,
aan mijn manier van duiken
en aan mijn groene poep.

Ik ben het groenpoepkuiken,
jij slappe bruinkwakhoen!
‘k Laat jou een poepje ruiken
en let wel… het is groen.


De schinkelwink

Tekening Jaap van den Born

Tekening Jaap van den Born

De schinkelwink zit triest in bad,
allenig, zonder eendjes.
Ze heeft geen protzels, moet op pad
op korte, kromme beentjes.

Ze heeft een protzelschinkeltuig
en schinkelt om den brode.
De weg is lang, het pad is ruig,
maar protzels zijn de mode.

Na lange tijd komt zij weer thuis,
een grote tas vol protzels,
haalt haar machientje uit de kluis
en slurpt een bord met schnotzels.

Daarna doet zij de streuvels dicht
en schinkelt in het donker
want dat is schinkelwinkse plicht,
zo staat het in de Glonker.

Nee, niemand weet hoe zij het doet.
Wil jij er eentje kopen?
Dit is mijn raad, dus luister goed,
zet al je oren open:

de schinkelwink houdt niet van geld,
van bloemen, boterkoeken,
een bord vol schnotzels is wat telt…
dus veel succes bij ’t zoeken!


De dotsedaris

Tekening Jaap van den Born

Tekening Jaap van den Born

Men noemt mij vaak de dotsedaris
en dat bezorgt mij echt geen vreugd
omdat het als een klontje klaar is
dat het een naam is die niet deugt.

En zelfs op meer dan één manier!
Ik weet toch zelf best waar ik ben?
Dat is nooit daar, maar altijd hier,
hoe traag ik kruip, hoe hard ik ren.

En dotsen heb ik nooit gekund.
Ik zabber als een zabberslak,
ik robber als een robberrund,
maar dotsen? Dat is blauwe kak!

Ik koos een naam die bij me past,
noem mij het hiermitatiedier,
want dotsedaris geeft mij last,
ik ben nooit dáár… ik ben toch hier?


De bárzilmus

Tekening Jaap van den Born

Tekening Jaap van den Born

De bárzilmus heeft erge jeuk,
toch durft ze niet te krabben.
De laatste keer dat ze het deed,
schoot haar karmonkel in een deuk
en stond haar poot vol flabben.

Geloof me maar: het is niet leuk
behept met een karmonkeldeuk
te hippen op beflabde poot
in de Bárzilse Slabben.

Nog liever ging ze stokstijfdood
aan echt-niet-te-verdragen jeuk
dan dat ze weer zou krabben!


De paaskorneel

Tekening Jaap van den Born

Tekening Jaap van den Born

De paaskorneel is blauw-met-rood,
dat doet hem zo’n verdriet.
En bovendien is hij niet groot,
geen droezel die hem ziet.

Veel liever was hij groen-met-geel,
de kleuren van de lente.
Dus kijkt hij sip (en ook erg scheel),
zoekt troost in smots met krenten.

 

 


De zabberslak


Wie zabbert in de schele nacht
en heeft dan twee keer bezemkracht
waardoor ze vaak al nokkels brak?
Het is de zabberslak.

Tekening Jaap van den Born

Wie zoeft er fluks het maanlicht door
met een reflector op haar oor
en knipperfrikkels op haar dak?
Het is de zabberslak.

Als ’s ochtends vroeg de zon verschijnt,
wie is de eerste die verdwijnt,
nog één keer zabbert, zij het zwak?
Het is de zabberslak!


De griespardot

De griespardot

Tekening Jaap van den Born

De griespardot staat wat te grroemen
temidden van een protterveld,
bezaaid met viezeschetenbloemen:
hij heeft ze allemaal geteld.

“Ik pluk er vijf om vuur te stoken,
dan knalt het -grroem- in mijn fornuis,
en acht om -grroem- kaduuf te koken,
dan ruikt het lekker bij mij thuis.

Nog tien voor -grroem- mijn jaarlijks bad
en twaalf gestrikt met stinkend smik:
een -grroem- boeket voor griespardat,
die houdt van schoonheid… net als ik! “

Rob robberrund

Rob robberrund
Tekening Jaap van den Born

Rob robberrund is in zijn sas:
er wordt gevochten en geknotst!
De zwerkbaril ligt in een plas
terwijl hij fors de daris dotst.

Er wordt gesmeten en getrokken,
het robberrund gaat driest tekeer.
Hij slingert slinkse, brute brokken.
Rob toont zijn klauwen telkens weer.

Na acht keer boem en twaalf maal pats
ligt gans het zootje in een plooi.
Geen moef, geen dzjoef, geen kreun, geen krats.
Ach, een stilleven is best mooi.